• British flag
  • Drapeau Français

Reisverslag 1999

Dit reisverhaal, geschreven door Henriëtte Kikken, werd in drie gedeeltes in 1999 en 2000 geplaatst in het Montfortaans Contactblad (jaargang 32 en 33).

Congo, juli 1999

Het was mijn eerste reis naar Afrika. In mijn gedachten had ik er al heel wat jaren doorgebracht, maar in de praktijk was het er door allerlei omstandigheden nooit van gekomen. Congo was het doel van de reis en nog concreter, Lokutu. De plek waar pater Jan Bos 39 jaar lang missionaris was. Van pater Jan Bos kon men zich een reis naar Oost-Congo voorstellen. Hij ging tenslotte afscheid nemen van “zijn” land… Maar wat moest ik in een land in oorlog?

Fragment uit mijn dagboek (24-06-1999)

“Ik ben opgevoed met dia’s en wazige films over Congo en een pater die met veel egards werd ontvangen, wanneer hij naar Europa kwam. Het avontuurlijke, de spirit en de “wilde verhalen” van Jan hebben me vanaf mijn tiende jaar grondig besmet of misschien wel bedorven. Er waren momenten waarop ik voelde in equatoriaal Afrika meer thuis te kunnen zijn dan in Europa. Ik creëerde een eigen droomwereld. Ik weet dat ik de komende weken mijn eigen grenzen meermaals zal ervaren, psychisch en fysiek; eenzaam zal zijn tijdens de lange tropennachten alleen op mijn kamer of wat daarvoor moet doorgaan…. Ik ben er enerzijds bang voor, maar anderzijds voel ik de uitdaging en mijn avontuurlijk bloed dat eindelijk mag stromen… Ik mag mijn droom waarmaken! “

Tot de laatste dag bleef het spannend of de reis door zou kunnen gaan. De informatievoorziening over Congo is slecht en het weinige dat we via CNN te weten kwamen, was niet rooskleurig. Kisangani, de grootste stad in het noordoosten van Congo waarlangs we over de Congorivier naar Isangi en Lokutu konden varen, is op dit moment niet anders te bereiken dan per vliegtuig via Rwanda of Uganda. Wij hadden de weg via Uganda (Entebbe) gekozen, omdat ons door de confraters in Congo, sterk werd afgeraden om via Rwanda te reizen. Enkele weken voor ons vertrek was Goma namelijk gebombardeerd door troepen van Kabila. In Entebbe, waar we bij zusters logeerden, werd ik door mijn medereizigers (pater Jan Bos en pater Raph van Liedekerken) “voorbereid” op het alledaagse leven in Congo.

Fragment uit mijn dagboek (26-06-1999)

“22.15 uur, In Entebbe bij de “Sisters of Mary Repatrices” met de Mac Lite in mijn mond.

Er is geen electriciteit. We hebben bij een petroleumlamp en een kaars op de gang gezeten. Het is duidelijk dat zowel Jan als pater Raph erg verlangen naar een vertrek naar Congo. Er worden heel wat sterke verhalen uitgewisseld. Pater Raph die in Yanguba slaapt onder een muskietennet tegen mieren, slangen èn muskieten. Hij heeft een kapmes en lianen naast zijn bed liggen om ‘s nachts de slangen te lijf te gaan. In één nacht heeft hij er twee naar de slangenhemel geholpen…  Jan heeft maandenlang twee slangen op zijn kamer gehad. Eén slang had zich ontveld in zijn wasbak. Hij zei dat het perfect hielp om inbrekers uit zijn kamer te houden…”

Twee weken later, in de hut in Bohuma ging het weer door mijn hoofd. Het leek meer dan reëel. Het bed van bamboe was weliswaar behaaglijk, maar de grijze lemen muren waren heel donker. De bladeren boven mijn hoofd ritselden onophoudelijk. Hagedissen? Slangen? Of doodgewone vogeltjes? Ik had geen muskietennet om wat dan ook uit mijn bed te houden. Als compensatie had ik naast mijn hoofd een geopend zakmes en m’n Mac Lite klaar liggen. Ik heb weinig geslapen de eerste nacht…

We waren in Entebbe, eigenlijk met als enige doel zo snel mogelijk vertrekken naar Kisangani. Vanuit Entebbe zijn geen reguliere vluchten naar Kisangani en later bleek dat al twee weken geen vliegtuig meer was vertrokken. In de tussentijd verkenden we Entebbe: o.a. het indrukwekkende Lake Victoria (het grootste meer ter wereld) en de wijken in de “achteraf straatjes”. Ik maakte kennis met het dagelijks leven dat zich vooral in de buitenlucht rond de hut afspeelde. Daar werd gewassen, afgewassen en werden de kinderen in bad gedaan.

Fragment uit mijn dagboek (27-06-1999)

“Het begon keihard te regenen en we zochten snel een boom op om onder te schuilen. De kinderen van de nabijgelegen units [metalen ronde hutten], dromden samen om ons te zien… Ik maakte een paar foto’s en wanneer het toestel flitste, juichten ze! Er kwam een meisje naar ons toe. “You are welcome” , zei ze, en ze wees naar de metalen hutten. Door de plassen, de stromende regen en opspattende rode leem, liep ik achter haar aan. In de hut was het donker, zodat het even duurde voordat ik het een en ander kon onderscheiden. We werden uitgenodigd om plaats te nemen in de drie fauteuils. Het meisje knielde voor ons neer en gaf ons om beurten een hand. Ik wist niet hoe ik het had… Het was “te vererend” en “te ver weg”… Het leven in de hut ging gewoon door. De moeder gaf haar baby de borst; de kinderen haalden een rieten matje en gingen op de grond erbij zitten. Het kleinste meisje was bang voor ons en vluchtte de andere ruimte, afgeschermd met een gordijn, binnen.”

Op zondag leek het alsof we op maandag zouden vertrekken. Jan kocht met veel moeite tickets en op maandag waren we al vroeg in de weer door ons aanstaande vertrek. Het bleek echter ijdele hoop. Er was weliswaar een vliegtuig aangekomen van Air Alexandra, maar het moest nog vol geladen worden met o.a. matrassen. Veel materialen die in Congo niet meer te krijgen zijn, worden via Uganda per vliegtuig aangevoerd. Door de invoer per vliegtuig stijgen de prijzen in Oost Congo exorbitant. We kochten in de Procure in Kisangani diesel voor 1.30 US dollar per liter. De prijs van de diesel zou tijdens ons verblijf stijgen tot 2 US dollar per liter. In oorlogstijd moet ook geld worden verdiend…

Fragment uit mijn dagboek (28-06-1999)

“15.20  uur. Op een stoeltje op de luchthaven van Entebbe. Toen Jan vanochtend na uren terug kwam, bleek dat hij heel Entebbe met de taxi had doorkruist. Van Pontius naar Pilatus, noemde pater Raph dit. Maar hij kwam toch terug met twee tickets. Voor pater Raph was er nog geen ticket, omdat de formulieren op waren die ingevuld moesten worden. Hij zei al: ”Gaan jullie maar…” Natuurlijk deden we dat niet. Op weg naar de luchthaven werd ook hij van een ticket voorzien. Typisch was dat onze voornamen als achternaam op het ticket staan… Wanneer het vliegtuig vertrekt, weten we echter niet. Wachten, wachten, wachten… De derde dag al, maar nu met 26 anderen.“

Uiteindelijk hoorden we om 18.00 uur dat het vliegtuig definitief niet meer zou vertrekken naar Kisangani. De belangrijkste reden daarvoor was dat op de luchthaven in Kisangani geen electriciteit is en de landingsbaan niet verlicht kan worden. Ik wist niet wat ik erger had gevonden: landen in het donker of nog langer wachten…In de loop van deze middag kregen we voor het eerst informatie over de concrete situatie in Kisangani en Lokutu via een vriend van Jan, die hij toevallig op de luchthaven ontmoette. Mr. Batanga is de directeur van de palmplantages van Unilever in Congo en heeft met Jan heel wat jaren in Lokutu doorgebracht.

Fragment uit mijn dagboek (28-06-1999)

“21.07 uur . Vanmiddag heeft Jan, “zomaar”, zijn grote vriend Mr. Batanga ontmoet op de luchthaven. Batanga wacht al twee weken hier in Entebbe op een vliegtuig naar Kisangani. Ze omhelsden elkaar… Ik weet dat Jan zich zorgen maakte over het feit of hij hem ooit nog terug zou zien… En dan zo onverwacht, op een wildvreemde luchthaven… Jan wilde zoveel mogelijk weten over de toestand in Lokutu en de dorpen er omheen. Ik zag dat hij schrok van hetgeen hij hoorde: geen brandstof meer, dus weinig/geen electriciteit, weinig voedsel… De compagnie kan de fabriek niet meer laten draaien en de arbeiders worden niet meer betaald. Ook Batanga ziet het niet meer zitten. In Mosité [25 km van Lokutu] zijn 500 Rwandese militairen gelegerd. We kunnen nu alleen hopen dat deze niet verwachten dat wij ze te eten zullen geven…”

Op dinsdagochtend, 29 juni, vertrokken we naar Kisangani. Drie uur later dan beloofd. De vlucht werd namelijk uitgesteld omdat er teveel passagiers waren: Rwandese militairen die naar de oorlog in Congo vertrokken. Het was proppen in het vliegtuig: bepakte passagiers met spullen die in Congo niet meer te krijgen zijn en huilende kinderen. We geloofden pas dat we daadwerkelijk Congo zouden bereiken toen het vliegtuig van de grond kwam en zijn wielen inklapten. Een uur vliegen.

De enorme watervlakte van Lake Victoria was indrukwekkend, evenals de ongereptheid van het Ruwenzori gebergte. Het oerwoud onder mij leek op plukjes mos en de metalen daken van de hutjes weerkaatsten in het zonlicht. Door de kleine raampjes zochten we het oerwoud af naar een bruin lint: de Congo rivier. Een teken dat we Kisangani zouden naderen.

Fragment uit mijn dagboek (29-06-1999)

“13.40 uur. Procure Kisangani, aan het tafeltje op mijn kamer. Ik weet niet waar ik beginnen moet. Ik draai de film opnieuw af… Direct na de landing drong  tot me door dat ik in een andere wereld terecht was gekomen: rebellengebied in Congo. Onder aan de vliegtuigtrap werden de paspoorten, tickets en bagagelabels ingenomen. Er werd zenuwachtig gepraat en door elkaar gelopen. Overal militairen, maar van welke rebellengroep? Te voet richting luchthavengebouw. Ik was blij dat ik alle spullen die ik absoluut nodig had in een kleine rugzak op m’n rug had. Het zweet gutste overal waar het vrij spel had. De warmte en vochtigheid van het oerwoud viel als een deken over me heen. Het gebouw zit vol kogelgaten, er zit geen glas meer in de ramen, de electriciteitsdraden hangen verdwaald uit de muren, overal bloedsporen… totaal gesloopt. Jan zei: “Nu pas zie ik hoe erg het is. Zelfs in de slechtste tijd was het niet zo erg als nu”. Ongelooflijke ellende… Kinderen proberen versnaperingen aan de man/vrouw te brengen. Ik wist dat ik geen hap door mijn keel kreeg. Mannen in kapot gescheurde overalls en soldaten met machinegeweren keken alsof ze wel zin hadden in zo’n mals hapje “soeur”. Anja [vriendin], tot nu toe had ik je heel graag bij me gehad. Nu ben ik blij dat ik je dit kan besparen.”

De avond voor ons vertrek naar Congo had Jan me een kruisje gegeven dat ik kon opspelden. Hij zei dat het wellicht zou helpen om zonder al te veel moeilijkheden Congo binnen te komen. Ik had er moeite mee om me zelf “een andere identiteit” te geven. Echter op weg naar Kisangani had ik het zekere voor het onzekere genomen. Twee Engelsen die we op de luchthaven in Entebbe hadden ontmoet (professoren die onderzoek deden naar pygmeeën???), vroegen met verbaasde gezichten of ik zuster was. Ik zei dat ik incognito reisde. Aan hun gezichten was te zien dat ze het niet begrepen. Op de luchthaven in Kisangani werd ik echter aangesproken met “soeur”. Het is in mijn voordeel geweest. Ook toen ik zonder kruisje met Jan door het binnenland reisde, werd vaak gedacht dat ik een nieuwe jonge zuster was. Begrijpelijk, omdat de witte mensen op één hand te tellen zijn en het allen paters of zusters zijn.

Fragment uit mijn dagboek (29-06-1999)

“Het was al snel duidelijk dat er niemand was die ons kwam afhalen. Geen brandstof betekent dat er ook geen taxi’s rijden die de ruim 20 km naar de stad Kisangani kunnen overbruggen. Eerst moest de bagage gecontroleerd worden in een donker kantoortje. Om de beurt mocht één persoon met zijn koffers naar binnen. Wat daar gebeurde was onduidelijk. Na, voor mijn gevoel “uren”, kwam deze met een koffer dat nog half open was en uitpuilde naar buiten. Het idee dat ik alleen het donkere hol in moest, was niet bepaald opwekkend. Het devies was: aanschuiven en rustig blijven. Ik probeerde zo onopvallend mogelijk te blijven en schatte de situatie van moment tot moment in; alert en bedacht op alles wat mis zou kunnen gaan. Ik wist dat ik in geen beter gezelschap kon zijn: Jan, pater Raph en Mr. Batanga… We probeerden het zo te arrangeren dat we in elk geval bij elkaar in de buurt konden blijven. Batanga ging eerst naar binnen. Hoe hij het deed zal onbekend blijven, maar hij arrangeerde dat Jan, pater Raph en ik samen naar binnen konden. Ik bespeurde een licht gevoel van opluchting in mijn ingewanden. Binnen bleek dat de woorden van pater Raph en Jan in het Lingala [officiële Congolese taal] wonderen deden. Ik ving woorden op als: Montfortanen en Isangi. De gezichten van de Congolesen klaarden zichtbaar op. De onzen daarna ook, denk ik. Alles werd wel doorzocht, maar er was geen sprake van dreiging. Van daaruit werden we overgebracht naar weer een ander donker hol: de immigratie. Gelukkig had ik mijn visitekaartjes bij me. Ze maakten net voldoende indruk. We kwamen ook de twee Engelsen weer tegen. Deze kregen, net als wij, tegen betaling een visum voor 8 dagen, met kwitantie! De dragers werden door Jan betaald in US dollars. Ik realiseer me nu hoe belangrijk het is om kleine coupures bij de hand te hebben. Ze moesten eens weten met hoeveel US dollars we onderweg zijn? [i.v.m. de aankopen die we in Kisangani voor de bevolking van Lokutu en omstreken wilden doen] Ook buiten het gebouw zaten en lagen overal soldaten. Drie soldaten kwamen op ons af om dollars af te troggelen. Jan kende ze uit Lokutu en handelde het gelaten af.

De weg naar de stad was redelijk goed. Er waren veel mensen onderweg, te voet of op de fiets. Hier en daar soldaten met verbindingsapparatuur. Langs de kant van de weg stonden vele hutjes van leem met daken van bladeren. Pater Raph leerde me onderweg het een en ander over hetgeen we zagen: koffiebonen die lagen te drogen, de bouw van de hutten enz. Aan het begin van de stad begon Jan op te noemen wat de gebouwen vroeger voorstelden: het hotel (ik heb te doen met de Engelsen die daarin moeten overnachten…), de bank, de garage, enz. De relatie met de bestemming is nu niet meer te leggen. Alles is kapot, geen glas meer in de ramen, dicht getimmerd of op de rand van instorten. Net alsof een storm door de stad heeft gewoed. Toch was zichtbaar dat dit vroeger een schitterende stad geweest moet zijn. De mooiste stad van Congo, zegt Jan. En overal militairen met wapens en verbindingsapparatuur. Bij het kruispunt sloegen we links af. De beroemde poort van de Procure in Kisangani die ik zo vaak, in de tijd dat Kabila Congo veroverde, op televisie had gezien, herkende ik direct. De veilige haven, voor zovelen… Ondanks alles eindelijk op de plek waar ik wilde zijn!”

In Kisangani brachten we ruim drie dagen door. We logeerden in de Procure; een kleine vesting aan de Congorivier. Ommuurde gebouwen met een wachtpost aan de poort. Het fungeert als belangrijk contactpunt met de wereld buiten Congo en per phonie wordt contact gehouden met de missieposten in het binnenland. Tegen betaling kun je er overnachten. Het was verplicht wachten, omdat we een handtekening van de directeur Provincial, voor ons visum voor een maand, nodig hadden. De ene dag had hij bezoekers uit Goma en de andere dag was hij onvindbaar. Het deed een zware aanslag op mijn vermogen om geduldig te blijven, en eerlijk gezegd ook in het vertrouwen in degene die het voor ons zou regelen. Jan wilde me ondanks de zware beperkingen door de oorlog, zoveel mogelijk van Kisangani laten zien. We werden uitgenodigd door een zwarte confrater van Jan, André.

Fragment uit mijn dagboek (30-06-1999)

“André heeft Jan en mij de Tshopo [waterval] laten zien. Op weg ernaar toe overal militairen, waardoor we absoluut niet kunnen fotograferen of filmen. André vindt dat er meer militairen zijn dan normaal. Dat heeft misschien te maken met het defilé morgen [Onafhankelijkheidsdag]. Militairen in gepikte personenauto’s postend of doelloos rondlopend. Wegversperringen, waar we middels uitleg van André langs kunnen. Je kunt geen kant uit. Heel jonge magere militairen die hun geweer bijna niet kunnen dragen. Een plastic zakje drinkwater aan hun mond. Kinderen van elf, zegt André. Ik weet zeker dat dit beeld op m’n netvlies is gebrand.

Bij de Tshopo staan ook soldaten. Het houtsnijwerk dat we met veel moeite langs de weg in een of andere buitenwijk hebben gekocht, verstop ik zo goed en zo kwaad als mogelijk onder mijn voeten. Het lukt André om toestemming te krijgen de waterval van dichterbij te gaan bekijken. We krijgen als escorte wel een militair mee. Hij sluit de rij. Priemende ogen in mijn rug. In de brug over de rivier zitten gevaarlijke gaten die ik probeer te omzeilen. Er volgt een nog gevaarlijkere afdaling. Jan blijft haken achter een liaan en valt achterover in een gat. Het lijkt erop dat de struiken hem niet langer zullen dragen en hij in het ravijn zal “donderen”. Ik vergeet André te roepen, maar grijp de arm van Jan. Met veel moeite kan ik hem vasthouden. De militair die achter mij loopt aarzelt niet en graait net als ik naar de arm van Jan. We brengen hem in veiligheid. Nog een half uur daarna heeft Jan mieren op zijn lijf en krabt hij zich “kapot”. Maar niks gebroken, wonderbaarlijk…  Beneden aan de oever mag Jan even filmen van de militair, maar onder strikte aanwijzingen: “Niet de huizen!!!”. Stiekem maak ik een paar foto’s. De militair is nerveus.”

Fragment uit mijn dagboek (01-07-1999)

“Aan tafel op mijn kamer. Het is hier een bandietenbende! Wat zullen Jan en ik blij zijn wanneer we hier [Procure] weg zijn… Steeds maar weer dat gedoe om geld en niemand doet nog echt zijn best om er wat van te maken. M’n deur gaat nog steeds soms wel, soms niet open [ik had de dag ervoor opgesloten gezeten en mezelf met m’n zakmes bevrijd]. Niemand voelt zich geroepen om iets te doen aan alle dingen die niet meer functioneren [verlichting, douche]. En dan te weten dat we per persoon 45 US dollar per dag betalen… Toch niet mis. Na het eten ben ik gevlucht richting stroom [Congorivier], alleen. Ik voelde dat de zwarten  zich afvroegen waarom die witte verdrietig op het trapje van de Cathedraal zat. Ik was niet bang en was blij dat ik het gevoel van gevangen zitten, eindelijk achter me kon laten. Kinderen kwamen naar me toe en maakten muziek met zelfgemaakte muziekinstrumenten, in de hoop op een “aalmoes”. Alsmaar wachten, wachten… Geen vat hebben op de situatie en in wezen niks kunnen veranderen. Jan heeft hier in Kisangani duizenden schoolschriften en honderden machetes gekocht die we per prauw naar Lokutu zullen vervoeren. Het lijkt nu zo zinloos… Voor de mensen hier lijkt alle hoop verloren. Het is aan hun gezichten en aan alles af te lezen. Het hoeft niet meer, ze zijn moe en hebben de moed niet meer. Desolaat. Ze zien me niet. En als ze me zien, kijken ze me meewarig aan: “Wat kom jij hier doen? Aan welke kant sta jij?” Aan tafel wordt veel gesproken over de onderhandelingen in Lusaka. Het schijnt dat Wamba dia Wamba wil blijven vechten en Zuid-Afrika 25.000 UNO troepen wil inzetten. In Opala wordt ook weer gevochten. Congolese rebellen die in handen van militairen van Kabila vallen, keren met afgehakte neuzen en lippen terug in Isangi. Rwandese en Ugandese militairen  worden “alleen” gedood. Ik weet niet wat ik erger zou vinden… Vannacht heb ik om 3.40 uur twee schoten gehoord. Ik was wakker geworden doordat ik totaal verstrikt vast zat in het muskietennet. Nachtmerrie. Het gaat me toch niet in m’n kouwe kleren zitten. Jan merkt dat de angstige tijden die hij vroeger in Congo heeft meegemaakt, door het steeds weer zien van rebellen, in beelden terugkomen. Hij wil nu alleen maar weg, eindelijk ècht op weg naar Lokutu.”

Het duurde uiteindelijk tot 2 juli voordat we met een rapide [snelboot] naar Isangi vertrokken. Het vertrek verliep niet zonder hobbels, omdat slechts tot 14.00 uur benzine gekocht kon worden in de Procure en de rapide te laat uit Isangi vertrokken bleek te zijn. Op het allerlaatste moment kregen we van een zuster een koelbox met vaccins en insuline voor Lokutu. Het is de enige manier om medicijnen te vervoeren naar het binnenland: 215 km in een bootje over de rivier. Onze bagage bestond in totaal uit 800kg. Gelukkig waren onze koffers (waaronder 8 voetballen) de dag daarvoor al meegenomen door de prauw waarmee pater Raph was vertrokken. Inclusief de spullen die Jan had gekocht voor de bevolking in Lokutu (schoolschriften, machetes) en rijst, zout en wat bier voor eigen gebruik.

Fragment uit mijn dagboek (02-07-1999)

“In het begin was het erg warm op de rivier en wat ging dat snel! Onderweg moesten we langs drie barrières van rebellen. De eerste post was direct na ons vertrek uit Kisangani. We moesten aanleggen en over drie, vier prauwen [uitgeholde boomstammen] de beach zien te bereiken. Onze spullen moesten achterblijven in de rapide in de hoop dat er inderdaad op gelet zou worden. Mannen en vrouwen die ons aanstaarden. Door modder en stront liepen we naar een paar gebouwtjes toe. Het was onduidelijk waar we moesten zijn en werden van het kastje naar de muur gestuurd. Onze paspoorten werden door drie mensen gecontroleerd en vooral bestudeerd. Minuten lang staarden ze naar naam, foto en visum… Het leken uren. Uiteindelijk werden onze voornamen genoteerd op een groezelig velletje. In Kisangani hebben we er nog even over gedacht om zonder visum te vertrekken naar Isangi. Maar goed dat we dat niet hebben gedaan. We zouden de barrières nooit hebben kunnen ontwijken. Onderweg was heel duidelijk merkbaar in welke dorpen militairen waren en waar niet. In de dorpen waar militairen op de beach stonden durfde niemand te zwaaien. Op andere plekken waren de mensen heel uitbundig en werd geroepen en aandacht getrokken op allerlei manieren. Het was al bijna donker toen we in Isangi aankwamen (17.45 uur). Pater de Belder en broeder Hugo stonden ons op te wachten. Voor Jan en zijn confraters brak een bewogen avond aan. Jan zou gaan vertellen dat hij niet bleef maar afscheid kwam nemen…”

De tocht naar Isangi (125 km) hadden we met een rapide overbrugd. De reis zou vervolgd worden met een prauw. Er restte nog 90 km naar Lokutu.

Fragment uit mijn dagboek (03-07-1999)

“ In de prauw op weg naar Lokutu. Vanmorgen toen ik om 6.00 uur wakker werd, hoorde ik buiten al jongeren een of ander “marcheerlied” zingen. Jan was natuurlijk al lang aan het regelen en rende als een bezetene rond: ontembaar. Begrijpelijk. Ik heb voor het eerst zichtbaar de eerste mieren gegeten. Toen ik de suikerpot open deed, bleken daar evenveel mieren als suiker in te zitten. Ik vond dat ik er maar aan moest wennen en schepte een flinke lepel in de koffie met veel melk. Alles went, ja, echt àlles went… Ook het sjouwen met sleutels, mierennesten op de slaapkamer en douchen in het donker (soms maar goed…).

Het geronk van de motor, het klotsen van het water… Om mijn nek de filmcamera. Ik zit op twee dozen machetes. Ik krijg geen genoeg van het water, de eilanden en het uitbundige groen. Het is hier zo mooi, zo groots en oneindig. Wat is die rivier breed!!! De taferelen aan de oever lijken bijna idyllisch. Even lijkt het alsof de oorlog ver weg is. Overal waar we dorpen en prauwen passeren worden we uitbundig verwelkomd. Kinderen en volwassenen roepen: “Bossie, Sango!!!” Je ziet de gezichten oplichten. Verrast en blij. In gedachten hoor ik de tam tam het nieuws verspreiden: Bossie is terug! Ik voel me intens gelukkig en vraag me af wie ik ben, om dit mee te mogen maken…

Het gespannen gezicht van Jan, aan het andere eind van de prauw aan het roer. Genietend van een sigaar en zichtbaar ongerust over de vele zandbanken. Met zijn eigen gedachten…”

Heel vroeg die ochtend hadden we aan de Congorivier in Isangi onze bagage ingeladen in een grote prauw (11 meter lang) met buitenboordmotor. Jan had de buitenboordmotor, bij zijn vertrek veertien maanden geleden, verstopt in de sacristie op de missiepost in Isangi tussen de misgewaden. Tijdens invallen van militairen van Kabila en de inval van de rebellen die daar op volgde, was deze plek over het hoofd gezien. Overigens had het arsenaal Landrovers wel sterk geleden onder de excessen van de oorlog: van de zeven restte er slechts één.

Fragment uit mijn dagboek (03-07-1999)

“In Kisangani hebben we op het laatste moment een koelbox met vaccins en insuline gekregen om mee te nemen. Het is een wonderlijk gezicht tussen de koffers en dozen met machetes en schoolschriften… Even heb ik het gevoel dat ik werkelijk wat positiefs kan bijdragen. Het water in de Congorivier staat heel laag, waardoor Jan voortdurend alert moet zijn op zandbanken. Behendig vaart hij met de prauw langs een wirwar van eilanden. Een flinke schok is echter een teken dat de prauw toch is vastgelopen. Gelukkig draag ik een tropenbroek met afritsbare pijpen. Met mijn sandalen nog aan, laat ik mij over de rand van de prauw in de rivier zakken. Het water is warmer dan toen we vanochtend vertrokken; het komt nog niet tot aan mijn knieën. Aan de andere kant van de prauw probeert Jan met de peddel het gevaarte in beweging te krijgen; ik trek en duw, maar er gebeurt helemaal niks. Daar sta ik dan midden in de Congorivier omringd door kilometers water…”

Twee vissers die van een afstand onze escapades hadden gevolg, kwamen onze richting uit en trokken tegen betaling de prauw vlot. De zandbanken waren niet het enige obstakel dat we moesten overwinnen. De lucht werd alsmaar zwarter en de wind sloeg de golven gevaarlijk hoog tegen de romp. De prauw was zwaar, misschien wel tè zwaar beladen (1000 kilo). We waren uit Isangi vertrokken zonder rekening te houden met een weersverandering; om te hozen hadden we enkel een klein conservenblikje.

Fragment uit mijn dagboek (03-07-1999)

“ Soms lijkt het alsof we het onweer net voor kunnen blijven en de lucht minder dreigend wordt. We hebben geen peddel meer. Deze is blijkbaar achtergebleven toen we op de zandbank vastliepen. Jan heeft net met heel veel moeite, reeds uit voorzorg, een nieuwe jerrycan benzine aangesloten. Hij is bang dat de buitenboordmotor uitvalt en we uitgeleverd worden aan de elementen. Het begint steeds harder te waaien. De andere prauwen hebben reeds afgemeerd. Een gordijn van regen doemt voor ons op: een schitterend gezicht. Het regent, hagelt en dondert en binnen enkele tellen ben ik nat tot op mijn vel. Ik heb het steenkoud en vis uit mijn doorweekte rugzak een handdoek die ik over mijn schouders leg. Door de regen die pijn doet aan mijn vel, zie ik Jan aan de andere kant van de prauw hozen met het conservenblikje. Hij probeert koers te houden tegen de golven in en tussen de zandbanken en eilanden door en tegelijkertijd probeert hij het water in de prauw de baas te blijven.”

Pas een paar dagen later begreep ik dat het werkelijk kantje boord was geweest. Jan vertelde dat het de tweede keer in 39 jaar was, dat hij op de Congorivier serieus in de problemen was geweest en hij schietgebedjes had gebeden. We hadden veel tijd verloren. Het regende nog steeds toen de eerste contouren van Lokutu zichtbaar werden. Ik had me vaak proberen voor te stellen wat zou gebeuren op het moment dat we zouden aankomen. Jan had verhalen verteld over de aankomst in Lokutu nadat in 1992 een moordaanslag op hem was gepleegd. Hij werd toen door de bevolking gedragen van de beach tot aan de missiepost (ruim anderhalve kilometer ver). Ook nu zag de beach letterlijk zwart van de mensen. Het waaide nog steeds hard, waardoor de prauw in korte tijd veel water maakte. Jan gilde enkele opdrachten naar Gilbert, een medewerker van de missiepost en met veel moeite werd de prauw op de beach getrokken.

Fragment uit mijn dagboek (03-07-1999)

“Met de rugzak in de ene hand, de filmcamera om mijn nek en het statief in de andere hand, zet ik voet aan wal. Binnen een paar tellen word ik omgeven door tientallen kinderen die mij een hand proberen te geven. Met mijn linker- en rechterhand tegelijk handen gevend, lukt het me niet om ze bij te houden. Ik doe de rugzak om en probeer me te verplaatsen. Mijn rechter voet glijdt echter weg op een steen en ik kan me nog net vastgrijpen aan een jochie. Hij kijkt mij verschrikt aan. Ik gris mijn filmcamera uit mijn rugzak en begin te filmen. De kinderen volgen met hun hoofd de camera en zoeken met hun grote ogen de lens.”

De PLC (Plantation Lever au Congo) had gezorgd voor een Toyota terreinwagen die ons met de bagage naar de missiepost verderop zou brengen. Tientallen kinderen renden zo lang mogelijk gillend achter de terreinwagen aan. Dichterbij de missiepost zag ik door de voorruit van de terreinwagen, honderden mensen langs de kant van de weg staan. Lachende zwarte gezichten en zwaaiende armen met grote palmbladeren schoven voorbij. Toen we uitstapten begonnen de klokken te luiden en door een haag van honderden mensen waaronder groepen vrouwen in schitterende waxen (stoffen) liepen we richting missiepost. Vanuit de klokkentoren en palmbomen werden we toegejuicht door tientallen kinderen die probeerden een glimp op te vangen.

Fragment uit mijn dagboek (03-07-1999)

“Wat een welkom, alsof een koning wordt ontvangen! Emotie overspoelt me; met moeite hou ik de tranen die vanuit mijn ooghoeken een weg over mijn wangen zoeken in bedwang. Ik weet dat ik iets heel bijzonders meemaak… Mannen proberen met stokken de kinderen op een afstand te houden, maar desondanks worden we bedolven onder tientallen kinderen die het filmen onmogelijk maken. Het gezicht van Jan is pijnlijk vertrokken, maar zijn ogen stralen… Veertig jaar Congo zie ik door zijn hoofd voorbij flitsen; men weet niet dat hij afscheid komt nemen. Groepen mannen en vrouwen zingen welkomsliederen. Het ritme van de trommels werkt aanstekelijk en ik begin te dansen, tot hilariteit van de vrouwen. Het is één groot feest!”

Niet lang daarna verscheen plotseling iemand van de Securité (veiligheidsdienst) op de missiepost. Hij had een briefje bij zich waar op stond dat we (zuster Giovanni, zuster Cecilia, Jan en ik) ons om 16.30 uur bij de Securité moesten melden. Die hadden wel heel snel lucht gekregen van onze aankomst! Later bleek dat die dag de nieuwe burgemeester van Lokutu werd geïnstalleerd en de mensen van deze festiviteiten naar de missiepost waren vertrokken toen de klokken op de missiepost  begonnen te luiden. Dit was niet in goede aarde gevallen.

Fragment uit mijn dagboek (03-07-1999)

“Jan vertelt dat Securté bestaat uit dezelfde mensen die in 1992 de moordaanslag op hem hebben gepleegd. Ik voel de spanning die in de Landrover hangt; ook de ergernis bij Jan dat dit op onze eerste dag moet gebeuren. Van hem krijg ik de laatste aanwijzingen en we spreken af dat ik net zal doen alsof ik geen Frans versta of spreek. We naderen het huis dat door de Securité in beslag is genomen via de achterkant. Wanneer Jan stopt komt direct iemand naar buiten. De man draagt geen uniform; zijn gezichtsuitdrukking lijkt gebeeldhouwd in een brede grijns. We worden naar binnen geleid, de deur wordt afgesloten en de ramen geblindeerd. “Zitten we nu gevangen?”, vraagt Jan. De man ontkent. In de kamer staan stoelen en we worden “verzocht” hierop plaats te nemen. Verschillende mannen lopen aan de andere kant van de kamer in en uit; ze draaien wat om ons heen. En nu? Er wordt over en weer gepraat. Ik bedenk wat we moeten doen om weg te kunnen en hoeveel tijd het gaat kosten. Iedere spier en vezel in mijn lijf is klaar voor een bijna dierlijke aanval. Het gezicht van Jan hou ik nauwlettend in de gaten. Hij spreekt weliswaar Lingala, maar ik weet dat ik aanvoel wat hij zegt; ik vertrouw op hem. Eén van de mannen zegt in het Frans: “U hebt veel moed.” En ik doe net alsof ik het niet begrijp…”

Uiteindelijk moesten we (valse) papieren invullen en pasfoto’s afgeven, maar het ging natuurlijk om het bedrag in dollars dat de Securité, wilde innen. Onder begeleiding van drie mannen van de Securité, gingen we terug naar de missiepost waar we alles gelaten afhandelden. In Basoko vertelde de zusters enkele dagen later dat zij verplicht waren om iedere maand 125 US dollars te betalen aan de Securité. Als reden hiervoor werd aangegeven dat “de witten hen maar moeten onderhouden”.

Fragment uit mijn dagboek (04-07-1999)

“Gisteravond heb ik nog lang met Jan gepraat. Hij vraagt zich af of hij geen egoïst is wanneer hij in Europa blijft. De tegenstrijdige gevoelens die maanden zijn leven beheersten, zijn heviger dan ooit. Hij heeft de twee zusters verteld dat hij afscheid komt nemen. Ze waren er kapot van en wilden niet dat hij het tegen de bevolking zou zeggen tijdens de H.mis vandaag. Ik heb hem proberen te overtuigen van het tegendeel… Zuster Giovanni vertelt over de verschrikkingen die de mensen mee moeten maken: geen geld, geen medicijnen. Er is een TBC epidemie uitgebroken die door de zusters met heel veel moeite in bedwang wordt gehouden. Het HIV spook waart meer dan ooit rond en vooral onder de kinderen. Nog steeds is het moeilijk om de zwarten uit de dorpen te bewegen om het ziekenhuis of dispensarium te bezoeken. Ze hebben meer vertrouwen in hun eigen genezers.”

Fragment uit mijn dagboek (04-07-1999)

“Ik zit in een stoel op de barza een sigaar te roken. Rechts van me zo’n twintig kinderen die door elke denkbare opening gebiologeerd kijken naar iedere beweging die ik maak. Ze vragen om “ballon”, “livre” … Wanneer ik de rook uitblaas maken ze een blazend laag geluid. Van Jan begreep ik dat het betekent dat ze denken ik een goede geest over hen uitblaas. Het is heerlijk wanneer de kinderen er zijn! Het lijken wel bijen op een honingpot. Ik lach naar ze; ze lachen verlegen terug…

Vanochtend heeft Jan voor het eerst weer een H.mis opgedragen in Lokutu. Het was een onbeschrijfbare ervaring. Er waren zeker duizend mensen van allerlei leeftijden: van baby tot heel oud. Drie uur lang werd gezongen en gedanst; melodieën en ritmes die me zullen blijven volgen. Zo anders dan in Europa; van kop tot teen menselijke emotie. Wat zal ik dit missen… Het moment dat Jan de Vredeswens uitsprak en een ieder elkaar een hand gaf en een leven zonder oorlog toewenste…. Daar stond ik dan… Jan heeft tijdens de H.mis verteld dat hij slechts enkele weken blijft. Een aanzwellend gemurmel met een negatieve ondertoon was het antwoord van de bevolking. Hij stelde me aan de mensen voor: “Elle aime l’aventure”, zei hij, dat moest voldoende zijn… Een onderwijzer zei dat hij zich niet kan voorstellen dat ik risico’s neem om hen in oorlogstijd op te zoeken. Ik voel me nietig en klein in dit bruisend hart. Ik weet ook dat ik een plekje in mij heb gesloten, waar ik eindelijk “thuis” kan zijn.”

We werden ontvangen door de diverse parochies van Lokutu en bedolven onder geschenken (kippen, bananen, eieren, vis enz.). Het zou tijdens onze reis regelmatig voorkomen en ik voelde me daar steeds weer ongemakkelijk bij. Zeker wanneer ze aan mij persoonlijk werden aangeboden. Wetende dat ze weggaven terwijl ze zelf bijna niks hadden. Wat had ik te geven? Wat had ik te bieden? Tot slot van deze bijeenkomst vroeg Jan aan mij of hij het dankgebed in het Frans of in het Lingala moest uitspreken. Ik antwoordde: “In het Lingala natuurlijk!” Ze juichten.

Fragment uit mijn dagboek (05-07-2000)

“Jan heeft vanmorgen meteen fanatiek geprobeerd zijn Landrover aan de praat te krijgen. Wonder boven wonder startte hij bij de eerste poging. Ik heb een bezoek gebracht aan Tosalisana [middelbare school]. De studenten komen wel van 10 kilometer ver lopen iedere dag. De leraren worden niet betaald door de overheid. Bij het appèl werd tijdens het hijsen van de Congolese vlag het volkslied gezongen. Het was een matte en trieste bedoening. Ik had een voetbal meegenomen, een van de acht die Jan en ik uit Europa hadden meegebracht, waar ze héél blij mee waren! Iedere klas wilde me ontvangen en op de film of foto worden vastgelegd. Af en toe deed ik maar alsof… Mijn achternaam was menigmaal de aanleiding tot lachsalvo’s. Eén van de studenten vroeg of ik financieel wat voor hem wilde doen, iemand anders vroeg om een filmrolletje… Ik ben wit, dus ik ben rijk in hun ogen. Ze begrijpen het niet; kunnen het niet begrijpen.”

Het leven op de missiepost was afwisselend en we kregen weinig tijd om ervaringen te verwerken. Jan had nooit gewild dat de missiepost ommuurd zou worden en wilde zoveel mogelijk direct contact houden met de bevolking. We werden belaagd door hordes kinderen of door volwassenen die met Jan moeilijkheden wilden bespreken of allerlei spullen wilden “los peuteren”. De vaten met spullen die Jan vanuit Nederland liet verschepen naar Lokutu, werden opgevuld met oude tennisballen om beschadigingen tegen te gaan. Er waren nog tientallen tennisballen over van de laatste vracht uit 1998. Jan onderhield een levendige ruilhandel met de kinderen: tennisballen voor eieren. Hij keurde de eieren en ik zorgde voor de aanvoer van de tennisballen. Het bracht een heleboel gezelligheid in huis en iedere morgen waren we blij met een pan gebakken eieren. Baluma, de kok die al vanaf 1959 bij Jan werkt, zorgde voor gekookt en gefilterd water en wist heerlijke maaltijden te bereiden op een houtkachel: pondu (maniokbladeren), epinar (wilde andijvie), loso (rijst), mbisi (vis). Er was een overvloed aan heerlijke vruchten. Niks had me beter kunnen smaken, ondanks tientallen mieren die steeds weer de inhoud van mijn bord vonden. Brood konden we niet bakken, omdat de laatste voorraad meel vol beestjes zat  In plaats daarvan aten we biscuitjes uit noodrantsoenpakketten. Al om 18.00 uur was het pikkedonker. Iedere avond was het spannend òf, hoeveel en wanneer er elektriciteit zou zijn. De PLC had slechts restjes diesel om elektriciteit op te wekken. Wij konden wanneer het echt nodig was de generator van de missiepost aanzetten of een kaarsje aansteken. De contacten met de buitenwereld verliepen via de phonie. Drie keer per dag werd vanuit Kisangani contact opgenomen met de diverse missieposten en gecontroleerd of alles OK was.

Fragment uit mijn dagboek (06-07-1999)

“Het lijkt van buitenaf alsof de oorlog geen deel uitmaakt van ons dagelijks leven. De realiteit is en blijft dat we ons doen en laten afstemmen op waar en hoe we wel of niet veilig zouden kunnen zijn.

’s Avonds bespreken we de laatste ontwikkelingen en troepenbewegingen met Ntabaza van de PLC. In Mosité is dysenterie uitgebroken bij de soldaten. Men zegt dat de zieken gewoon worden achtergelaten of dood geschoten. Soldaten hebben de Landrover van de zusters meegenomen naar Lokumete. In Lokutu zijn soldaten uit Ruanda gelegerd. Ik zie ze vaak op de weg richting missiepost en aan de beach. Ntabaza vertelde dat ze een paar honderd meter verderop schuilhutten van gras hebben gemaakt. Op dit moment vallen ze ons niet lastig, behalve dan dat ik extra voorzichtig ben met filmen en fotograferen. ’s Nachts wordt de missiepost bewaakt door twee nachtwakers: één slaapt voor mijn deur, de andere voor de deur van Jan. De walkietalkie en mac lite liggen dan op mijn kussen, zodat ik bij onraad Jan aan het andere eind van het gebouw kan oproepen. Ik heb al geleerd van nachtelijke toiletbezoek. Ik steek nu voorzichtig het grasveld over en ben bedacht op kikkers of erger: slangen. Bij het toiletgebouw blijf ik op veilige afstand van de deur en trap deze met mijn voet open. Daarna stamp ik met mijn voeten op de grond, wacht even en ga naar binnen. De muizen, ratten en wat dies meer zij, zijn dan reeds op de vlucht geslagen. Aan soldaten en ander gespuis denk ik dan bewust niet…”

Fragment uit mijn dagboek (06-07-1999)

“Een stuk of 6 grote hutten. Uit de muur zijn hele stukken leem weg. Door de grote gaten zie ik kinderen binnen zitten. Jan gaat me voor en zelfs wij kleintjes stoten bijna ons hoofd aan het deurspant. Mijn ogen moeten wennen aan het weinige licht binnen. De kinderen staan op van de bankjes van bamboestokken en richten hun blik vol aandacht op Jan en mij. “Bonjour!” De onderwijzer geeft een teken. Bedremmeld gaan ze zitten met de armen over elkaar. Grote ogen kijken ons aan. Links van mij zie ik dat de rieten matten van het dak naar beneden zijn gekomen. We gaan van hut naar hut, van de eerste tot de zesde klas en overal hetzelfde beeld… Bijna geen materialen en het meubilair is gemaakt van aan elkaar gebonden bamboestokken. Ik denk aan allerlei ergonomische normen waar we in Europa over stoeien. Daar sta ik dan in één van de lagere scholen in Lokutu. Jan maakt grapjes met de kinderen zoals hij dat altijd doet. Ons bezoek is een waar feest en de hele school loopt uit. Bij de laatste klas waar we langs gaan worden we verwelkomd met niet alleen “bonjour!”, maar met “Bonjour révérend père Curé et mademoiselle Henriëtte”. De tam tam gaat snel…”

Vanuit Lokutu trokken we, zoveel als de oorlog mogelijk maakte, het binnenland in. Voor een groot gedeelte werden deze reizen met de Landrover gemaakt, maar ook te voet of met de rapide.

Fragment uit mijn dagboek (07-07-2000)

“ Het is koel tussen de palmbomen. Ik heb geen broodkruimeltjes om te strooien en probeer de gevolgde weg en richting in me op te nemen. Verdwalen in een palmplantage is niet zo moeilijk. De bomen en paadjes lijken allemaal hetzelfde. Ik hoor en zie bontgekleurde vogels. De film- en fotoapparatuur heb ik bewust thuis gelaten, omdat de mensen alles doen om maar op de foto te worden gezet. Een vrouw met een kind op de rug en maniokbladeren op haar hoofd slaat een andere paadje in. Misschien heeft ze gewerkt op een veldje verderop. De bevolking probeert zo veel mogelijk te verbouwen om te kunnen blijven eten of om te ruilen tegen andere noodzakelijke dingen. Het is bergje op, bergje af. Het paadje is uitgespoeld door de tropische regenbuien. Het zonlicht verlicht een klein stroompje in het dal. Ik hoor kinderstemmen. Wanneer ik door de begroeiing naar beneden kijk, zie ik kinderen in het water spelen. En oudere vrouw wast haar potten en pannen; een ander boent een hoopje kleren. Iets verderop lopen een man, vrouw en twee kinderen me tegemoet. “Mbote. Mbote. “ Ik graai in mijn zakken en haal enkele ballonnen tevoorschijn. De kinderen gillen en verstoppen zich achter de benen van de volwassenen. Ik blaas een ballon op en de man en vrouw kijken verwachtingsvol in mijn richting. Ik ga door mijn knieën en probeer een van de jochies de ballon te geven. De man geeft hem een zacht duwtje in mijn richting. Het jochie kijkt met verschrikte ogen naar de man; deze knikt aanmoedigend in mijn richting. Het jochie komt schoorvoetend dichterbij en ik geef hem voorzichtig een hand, bang om het weifelende contact te verstoren. Hij draait daarop zijn handje met de handpalm naar zich toe; het lijkt alsof hij controleert of mijn huid heeft afgegeven. Met de andere hand pakt hij de ballon. Ik laat wat ballonnen achter en vervolg mijn weg. Ik hoor iemand roepen en draai me om. De man zwaait uitbundig en roept een dankjewel.”

De PLC onderhoudt de wegen niet meer; de productie van palmolie ligt sinds het begin van de oorlog in augustus 1998 stil. Van de laatste voorraden palmolie werd

’s avonds in de zeepfabriek van de PLC zeep gemaakt. De arbeiders werden betaald met stukken zeep die door hen op de markt werden geruild voor andere spullen.

Fragment uit mijn dagboek (09-07-1999)

“Ik heb de hele dag in de Landrover gereden. Rijden door hoog gras en struiken zonder dat je weet wat je tegenkomt. Schuiven en vasthangen; over bruggetjes die geen bruggetje genoemd kunnen worden. Op hoop van zegen…Meestal is de gemiddelde snelheid zo’n 30 kilometer per uur. Vanochtend zijn we naar Yaboloko geweest. Er lag een boom over het pad. Een bekende van Jan die op het werk was op een veldje, heeft deze gekapt. Ik heb voorgesteld dat hij voor de oude manchete bij ons een nieuwe kan afhalen. Hij was blij, begreep niet wat ik met de oude manchete moest…Een eindje verderop was het weer prijs, zodat we de resterende kilometers te voet moesten afleggen. Jan dacht bij ieder bochtje dat we er bijna waren, maar het was al met al zeker nog ruim een uur door de brandende zon. Ik had een tong van leer en nam me voor niet meer weg te gaan zonder een veldfles water en een manchete. Yaboloko is een klein dorp met lemen hutten met meerdere deuren. Aan het aantal deuren kun je zien hoeveel vrouwen een man heeft. Er waren hutten met wel 6 deuren…Het was ongelooflijk, angstaanjagend stil in het dorp. Heel voorzichtig kwamen vrouwen tevoorschijn. Ze vertelden dat sinds de avond van te voren, een jongetje van drieëneenhalf jaar vermist was en de mannen in het oerwoud en palmplantages op zoek waren. Waarschijnlijk was het jongetje opgegeten door een luipaard… Meestal krijgt iemand de schuld van een dergelijk drama: een boze geest. Overal zien we mensen sjouwen met jerrycans vol oranje palmolie. De mensen proberen in leven te blijven door clandestien palmvruchten te stoken en palmolie te winnen. Op 215 kilometer van Lokutu, in Kisangani, hadden we op de markt kinderen uit Lokutu ontmoet die palmolie aan de man/vrouw probeerden te brengen. Vanmiddag zijn we naar Makou, Bayolo en Iruma geweest. In de buurt van Mekake kwamen we een groep kinderen en volwassenen tegen die rupsen hadden gezocht. De kommen en pannetjes zaten vol wriemelende rupsen in allerlei bonte kleuren. Ze worden gekookt of geroosterd en opgegeten. In de rupsentijd worden de eiwittekorten aangevuld: een natuurlijk proces. Hoe verder we het binnenland in trekken, hoe ellendiger de mensen uitzien. Vooral de kinderen zijn er slecht aan toe: magere kinderen met bolle buiken, weinig of geen kleren aan en getekende gezichten. Ik filmde en maakte foto’s om anderen te kunnen laten zien wat wij zagen….“

Jan liet me vele projecten zien die hij samen met anderen tijdens 39 jaar leven en werken in Congo tot stand bracht. Niet alleen de kwantiteit zette me aan het denken, maar vooral de manier waarop hij erover sprak: respectvol voor de Congolese cultuur en tradities en wars van eigendunk. Zijn credo was: ik wil mensen verantwoordelijkheid en ruimte geven met het uiteindelijke doel mezelf misbaar te maken. Mijn respect voor hem groeide met de dag.

Fragment uit mijn dagboek (12-07-1999)

“Batanga is nog steeds niet aangekomen. Per phonie hoorden we gisteren dat hij met een masuwa (boot) op een zandbank vast hangt. Slechts één van de vele moeilijkheden die hij moet overwinnen. Hij vervoert diesel vanuit Kisangani over de Congorivier naar Lokutu. Het vervoer van de diesel is bittere noodzaak; de enige manier om de zeepfabriek van de PLC draaiende te houden.

Vanmiddag vertrekken we samen met Gilbert en Baruma naar Bohuma, een dorp in het binnenland op 50 km van Lokutu. Al maanden is Bohuma en omgeving afgesloten van de gemotoriseerde buitenwereld. Voor een deel ook een noodzakelijk kwaad; het houdt de rondtrekkende soldaten op afstand… Ik maak me een beetje ongerust over de 500 soldaten die in de omgeving van Mosité gelegerd zouden zijn… Op welke manier zal deze confrontatie verlopen? In verband met de kritieke toestand gaat een zwarte abee uit Mosité, met enkele mannen in een aparte Landrover, met ons mee. De inwoners van de dorpen die we moeten passeren, zijn ruim een week bezig geweest met het vrij maken van de overwoekerde wegen.

Per phonie is via via het sein doorgegeven dat we kunnen vertrekken. Het lijkt wel een kleine volksverhuizing op de missiepost. We nemen voor een deel dezelfde spullen mee als Jan tientallen jaren geleden ook al deed, wanneer hij het binnenland in trok. Een T-force waarmee de Landrover uit de modder getrokken kan worden, manchetes, veldbedden, geëmailleerde teiltjes die dienst doen als waskom en 10 liter gekookt en gefilterd water in een grote glazen fles. Ter bescherming tegen de te verwachten flinke schokken, is dit in enorme houten kisten verpakt. Ik voel me een heel bevoorrechte ontdekkingsreiziger…”

Fragment uit mijn dagboek (13-07-1999)

“We hebben al drie keer vast gehangen en het is maar goed dat er vele handen zijn die kunnen helpen om de Landrovers op weg te houden. Onderweg worden we voortdurend toegeroepen en toegezwaaid: Bossie, Bossieko, Sango! Hij wordt op handen gedragen… De kinderen slaan op de vlucht wanneer ik uitstap, bang voor de witte mevrouw. Soms stuiven ze weg door alleen al het geronk van de motoren van de Landrovers. Ik begrijp van Jan dat de mensen in de dorpen denken dat ik een nieuwe witte zuster ben, ook zonder kruisje op mijn revers. Opvallend zijn de in allerlei aardetinten geschilderde hutten. Bij één van deze hutten stopt Jan, zodat ik een foto kan maken. Een man loopt naar m’n raampje van de Landrover en zegt (letterlijk): “Blijf ons herinneren”. Het maakt een verpletterende indruk op me. De wegen en paden zijn duidelijk nog maar kort geleden “bevrijd” van omgevallen bomen e.d., want overal ligt vers gekapt hout. Ongelooflijk, dat weet ik hoeveel mensen bezig zijn geweest om ons een bezoek te kunnen laten brengen… Een paar kilometer voor Bohuma staat langs de weg een groep jongeren ons op te wachten; ze zingen een swingend welkomslied… Bohuma is een groot en uitgestrekt dorp en wordt in de volksmond Parijs genoemd. Aan het begin van het dorp ontwaar ik een bordje naast de ingang van een hut: Quartier Latin…  Wanneer we uitstappen, worden we direct omringd door tientallen volwassenen en kinderen. Ze blijven echter op “veilige” afstand. De notabelen van het dorp (onderwijzers, dorpsoudsten), herkenbaar aan  witte overhemden, ontvangen ons in de pajotte. Op de mooiste stoelen van het dorp wachten we op de chief. De tientallen kinderen hebben inmiddels een levend cordon gevormd rond de pajotte. Jan stelt me voor en vraagt hoe oud dat zij denken dat ik ben. Iemand antwoordt 12 jaar. Jan legt uit dat hij mij in 1965 heeft gedoopt. De mannen maken in het zand bij hun voeten een aftreksommetje en kijken ongelovig. Eén van de mannen vraagt of ik niet in Bohuma kan blijven. Jan “verkoopt” me voor enkele geiten en door de mannen wordt instemmend gejuicht.“

Het verblijf van enkele dagen in Bohuma was indrukwekkend. Ik deed mijn uiterste best om zo weinig mogelijk inbreuk te plegen op het dagelijkse leven in het dorp. Foto’s maken en filmen was bijna onmogelijk zonder onder de voet gelopen te worden door niet alleen kinderen, maar ook volwassenen. Overal waar we kwamen stond de alledaagse werkelijkheid even stil. We sliepen in de mooiste hut van het dorp, de hut van de hoofdonderwijzer. De familie had twee peuters, die echt doodsbang voor mij waren. De kippen woonden in dezelfde hut. Het was een complete klucht om niet over ze te vallen en ze uit de slaapvertrekken te houden.

Fragment uit mijn dagboek (13-07-1999)

“De bont getooide medicijnman danst in een grote kring. De meeste kinderen dragen kleren die niet meer zijn dan vodden. Hij nadert de groep kinderen en zij deinzen angstig terug. Een spel dat steeds terugkeert. Ik heb de filmcamera op m’n knie gezet en kan ongemerkt filmen. Ze spelen en ravotten eigenlijk net als alle andere kinderen die ik ken. Drie meisjes hurken bij elkaar neer en onderzoeken minutieus elkaars haren en af en toe knijpen ze tussen hun nagels iets stuk, hoofdluis? Eén van de meisjes heeft haar oog afgedekt met een lemen plak. Zeker nu, in oorlogstijd, staat de reguliere gezondheidszorg op een laag pitje. Een man bespeelt de gong en ik begrijp van Jan dat er een boodschap wordt overgebracht. De dansers worden gevraagd te komen. De gong is tot wel 20 kilometer ver te horen.”

In gesprekken die we ’s avond met de notabelen voerden in de pajotte werd eens te meer duidelijk dat de inwoners van Bohuma ontevreden zijn en zich spiegelen aan de luxe van het leven buiten het oerwoud: elektriciteit, stromend water, televisie… Het onderwijs in het dorp is niet bijzonder goed. Goede onderwijzers zijn moeilijk te porren om diep in het binnenland te gaan werken. Daarnaast speelt de oorlog het dagelijks leven steeds meer parten. De meeste kinderen volgen slechts enkele jaren lagere school en spijbelen veelvuldig (met permissie van de ouders) bv. in de rupsentijd. Al heel jong moeten ze voor hun bruidsschat zorgen, omdat ze al vanaf ongeveer hun vijftiende kunnen trouwen. Enkele jongeren lukt het om de stap te maken naar middelbaar onderwijs in b.v. Lokutu, waar ze kennis maken met een andere wereld.

Hoe ik ook m’n best deed, ik kon eeuwen wederzijdse onbegrip en vooroordelen niet overbruggen. Ze dachten dat ik al hun problemen zou kunnen oplossen (een witte huid, betekent rijkdom). En wie ben ik om te mogen denken dat een leven in de westerse wereld, waarin moeten presteren en toenemende werkdruk en stress alledaags zijn, misschien wel ongelukkiger maakt dan een leven in het oerwoud van Congo?

Fragment uit mijn dagboek (13-07-1999)

“Ik lig op een inlands bed van bamboestokken. De muren zijn van heel donkere grijze leem, hetgeen de ruimte aarde donker maakt. Ik verwonder me over de inventiviteit waarmee meubels worden gemaakt. In de hoek staat een ontvelde boomtak, gespietst in de lemen vloer; hij doet perfect dienst als kapstok. Naast mij staat een tafeltje, ook weer op 4 bamboestokken met een tafelblad van gevlochten riet. Ik hoor boven me op het dak van bladeren en riet, voortdurend geritsel. Ik hoop maar dat reptielen, insecten en wat dies meer zij, mij vannacht niet weten te vinden. Zal m’n blaas mij laten doorslapen? Aan de rand van het oerwoud staat de sanitaire hut van de familie. Een vloer met een langwerpig gat dat wordt afgedekt met een rieten deksel. Ernaast ligt een hoopje bladeren. Veel schoner dan menig Europees toilet. Maar het vooruitzicht dat ik wellicht midden in de nacht de hut moet (op)zoeken, veroorzaakt een weeïg gevoel in mijn maag.”

Fragment uit mijn dagboek (14-07-1999)

“Vanmorgen zijn we in het oerwoud op jacht geweest met een groep jagers. Het eerste deel was zwaar door het vele geklauter over boomstammen en door het struikgewas. We trokken over heel smalle paadjes steeds verder het oerwoud in. Majestueuze bomen met enorme luchtwortels, overweldigend groen en overal hoorde ik het tikken van de rupsen die van de bladeren naar beneden vielen. De jagers, gewapend met speren, stonden regelmatig stil om wortels en rupsen in allerlei soorten en maten te verzamelen. Ze verpakten ze in grote bladeren die ze zorgvuldig dicht vouwden en in gevlochten zakken stopten. De jagers leerden me water uit lianen drinken. Het smaakte heerlijk!  Eén van de mannen was duidelijk de leider van de groep. Communiceren was moeizaam, omdat de jagers van de Topoken stam waren en Jan het Topokees niet goed spreekt. Bij een moerassig deel aangekomen, nam de leider (met een lange ij) me op z’n rug en droeg me  kilometers lang. Ik schaamde me dood, weigerde in eerste instantie, maar voelde dat ik hem hiermee erg kwetste. De jagers werden op een gegeven moment opgesplitst: één groep jagers dreef het wild naar de andere groep toe. Een hoop geschreeuw en heen en weer “geren”, maar het wild ontsnapte. ’s Middags kwamen ze naar de hut met een jonge waterduiker die ze in een strik hadden gevangen. Jan kocht hem en nog dezelfde avond werd hij klaar gemaakt, opgegeten en weggegeven.”

Op de terugweg vanuit Bohuma vervoerden we kwanga (gestampte maniokwortel verpakt in bladeren). Baruma probeerde hier onderweg handel mee te drijven. Ongemerkt ging dit niet, omdat kwanga erg sterk ruikt oftewel stinkt. Bij Jan maakte dit herinneringen los aan de mishandelingen in 1961. Tijdens de opstand werd hij gedwongen om zijn eigen baard op te roken en werd rotte kwanga in zijn oren en neus gesmeerd. Sinds deze gebeurtenis had hij geen kwanga meer gegeten en geen baard meer laten groeien.

We wilden nog graag een bezoek brengen aan het ziekenhuis van de PLC, maar hadden het steeds weer uitgesteld. We waren bang  voor hetgeen we zouden aantreffen. Ooit was het een goed geoutilleerd ziekenhuis, maar er restten nu alleen gebouwen. Patiënten lagen op metalen bedden zonder matrassen… De apparatuur was verdwenen of functioneerde niet meer doordat er geen nieuwe onderdelen waren. De voorraad medicijnen was op; we lieten achter wat we voor eigen gebruik niet meer nodig dachten te hebben. Ik filmde en maakte foto’s, maar had niet de moed om het in mijn dagboek vast te leggen.

De laatste dagen in Lokutu waren zwaar. Alles stond in het teken van het afscheid dat onvermijdelijk zou volgen. Een zee van emoties overspoelde ons en het was letterlijk moeilijk om op de been te blijven. De avond voordat we zouden vertrekken kwam Batanga aan met de masuwa. Net op tijd om de laatste uren met Jan en mij te kunnen delen. Het had zo moeten zijn.

Fragment uit mijn dagboek (19-07-1999)

“Sigaar in zijn mond. Een getekend gezicht. Z’n linkerhand stevig geklemd om het roer. Hij kijkt niet meer om, zwaait niet meer. Wat gaat er door hem heen? Ik zit aan de andere kant van de prauw en zie de mensen op de beach van Lokutu steeds kleiner worden. De allerlaatste ogenblikken op de beach waren zo stil, zo veelzeggend ook. Handdrukken zonder woorden. Batanga liep met een gebogen hoofd weg. M’n ogen dwalen af naar de oever. Er staat een vrouw te zwaaien bij een hut. Ze roept: “Bossie!” Aan de glinstering in de ogen van Jan, zie ik dat ook hij haar heeft gezien.”

Vanuit de missiepost in Isangi trokken we nog een dag het binnenland in met een Landrover van de MIVA.

Fragment uit mijn dagboek (20-07-1999)

“Deze Landrover rijdt een stuk soepeler: stuurbekrachtiging. Zie ik het goed? Aan de linkerkant van de weg staan twee militairen. Ik grijp met mijn rechterhand de foto- en filmapparatuur en leg deze bij de voeten van Jan op de bodem van de Landrover. De militairen geven een stopteken. Ik rem af en draai het raampje open. Ik begrijp van Jan dat ze een lift willen naar Isangi. Geweren maken tegenwerpingen zinloos.… Ik sta mijn plaats aan de bestuurderskant af aan Jan, omdat rijden zonder geldig rijbewijs me te riskant lijkt in deze situatie. De militairen nemen plaats op de achterbank en Jan begint een gesprek. Ik kan het niet volgen, maar aan de toon hoor ik geen vijandigheid. Ik hoor Jan een vraag stellen met het woord “foto”. Ik kijk hem verschrikt aan. Hij zegt: ik heb ze gevraagd of ze met jou op de foto willen en dat willen ze heel graag! Hij stopt en maakt met een wegwerpcamera, die we voor dit soort situaties bij de hand hebben, een foto: voor de landrover, met links en rechts een militair. Ik ben bang dat ze mijn knikkende knieën horen… Jan vertaalt hetgeen de militairen vertelden. Ze hadden al onder de regie van drie “heren” gevochten: Mobutu, Kabila en nu de rebellen. Van school gerekruteerd voor het leger van Mobutu en gegijzeld en op straffe van de dood “heropgevoed” door Kabila. Ze droomden ervan om, ooit, naar de universiteit te gaan…”

Op 21 juli vertrokken met een grote prauw vanuit Isangi naar Kisangani (125 km). Voor de veiligheid ging een marinier mee in burger. De barières waren dit keer geen probleem. We deden er 7,5 uur over, met name omdat zandbanken en regen ons parten speelden.

Fragment uit mijn dagboek (21-07-1999)

We gingen te voet naar de Procure. Jan gaf aan Gandu de opdracht om te gaan kijken wanneer het eerstvolgende vliegtuig naar Kampala zou vertrekken. Jan en ik wilden zo snel mogelijk weg uit het benauwde en angstaanjagende Kisangani. Op de heenreis hadden we een week op een vliegtuig gewacht. Gandu kwam echter terug met de mededeling dat we direct konden vertrekken. Er volgde een wilde rit door de stad, op zoek naar onze bagage. Niks was afgestemd op een uitreis uit Congo.  In de auto en al op weg naar het vliegveld, probeerden we onze bagage zo goed mogelijk te ordenen. Ik stopte mijn zakmes weg, zocht dollars die als steekpenningen konden dienen en speldde het kruisje op mijn blouse. Jan was een pak Congolees geld “kwijt”, dat hij officieel niet mocht uitvoeren. Als gevolg van de spanning kon hij het niet vinden… Op hoop van zegen… In het gebouw waren meer militairen dan op de heenreis. Het zag er hetzelfde uit als weken geleden, maar toch voelde het anders. Ik was voor een deel gewend geraakt aan de beelden en de spanning die het opriep. De controle van de bagage was cruciaal. Jan probeerde met dollars de situatie te redden. Het Congolees geld vonden ze gelukkig niet. Ik merkte dat ik me begon te ergeren aan de handen die alles doorzochten en ons dik lieten betalen voor hetgeen we wilden meenemen. Een vrouw vroeg of ze de “bonbons” mocht hebben. Ik begreep het niet. Het bleek een doosje biscuits te zijn uit een noodrantsoenpakket dat ik nog in mijn rugzak had. Nou ik blij…Toen dacht ik aan de ballonnen die ik nog in mijn broekzak had. Ik haalde er een paar tevoorschijn en de militairen schoten er als kleine kinderen op af en wilden allemaal een ballon… Ik was totaal verbouwereerd… In het vliegtuig werden we vergezeld door Oegandese soldaten, die onderaan de vliegtuigtrap voor vertrek hun geweer ontlaadden.”

M’n droom om ooit, in de voetsporen van “mijn buurjongen” Jan Bos, Congo te bezoeken was werkelijkheid geworden. Ik mocht hem vergezellen op zijn laatste reis, bij het afscheid van alles dat hem zo dierbaar was. Ik voel me een bevoorrecht mens, omdat ik van heel dichtbij mocht meebeleven, mocht proeven, ruiken en voelen. De reis heeft me veranderd en mijn leven een nieuwe dimensie gegeven. Het was een reis vol emoties: angst, verdriet, maar ook hoop en verbondenheid. Ik zal altijd verlangen naar hetgeen ik daar vond: een plek waar ik me thuis voelde.

 

Copyright © 1999/2000 Henriëtte Kikken